De digitalisering van onze samenleving zet onverminderd door. Technisch gezien kan er steeds meer. Juridisch gezien mag er vaak ook steeds meer. Maar één vraag blijft opvallend vaak liggen: willen we dit eigenlijk wel?
Het is een vraag die steeds urgenter wordt, maar waarvoor niemand echt verantwoordelijk lijkt (te nemen). Misschien is dat geen toeval. Onze democratische en bestuurlijke inrichting is immers ontworpen in een tijd waarin macht tastbaar was, communicatie traag en data nog geen strategische grondstof. Montesquieu’s trias politica – wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht – functioneert al ruim twee eeuwen als fundament onder onze rechtsstaat. Maar in een digitale samenleving beginnen die machten steeds vaker langs elkaar heen te schuren.
Dat besef bracht mij terug naar een artikel dat ik in 2011 samen met een collega schreef. De titel: Wie wordt de Digitale Drees? Destijds leek het een academische exercitie. Wetgeving rondom digitale privacy stond nog in de kinderschoenen, sociale media werden vooral gezien als vooruitgang en geopolitiek speelde zich grotendeels buiten het digitale domein af. Nu, vijftien jaar later, is de context radicaal veranderd. Niet alles uit dat artikel is nog één-op-één toepasbaar. Maar de kernvraag is urgenter dan ooit.
Drees en de kunst van het bouwen
Om te begrijpen waarom die vraag – willen we dit eigenlijk wel? – ertoe doet, is een korte historische omweg nodig. Willem Drees, minister-president van 1948 tot 1958, geldt als de architect van de Nederlandse verzorgingsstaat. Hij loste niet elk probleem zelf op, maar bouwde structuren die solidariteit organiseerden, verantwoordelijkheden verdeelden en decennialang standhielden. Drees was geen visionair in de moderne zin van het woord, maar een pragmaticus met een scherp moreel kompas.
De problemen van vandaag zijn fundamenteel anders dan die van vlak na de Tweede Wereldoorlog. En toch is er een parallel. Ook nu staan we voor vraagstukken die diep ingrijpen in hoe we samenleven, werken en ons verhouden tot de overheid. Digitalisering speelt daarin een hoofdrol; als oorzaak, als versneller en als mogelijk onderdeel van de oplossing. De vraag is: wie neemt vandaag de verantwoordelijkheid om die ontwikkeling in goede banen te leiden? Wie durft na te denken over de lange termijn, over waarden en over de maatschappelijke gevolgen van digitale keuzes?
De Digitale Drees als denkfiguur
De ‘Digitale Drees’ is geen pleidooi voor een nieuwe held of een messias van de technologie. Het is een denkfiguur. Een manier om de vraag te stellen of onze huidige inrichting van macht, toezicht en verantwoordelijkheid nog volstaat in een digitale samenleving.
De Digitale Drees staat voor iemand die bewaakt of wat digitaal mogelijk en toegestaan is, ook daadwerkelijk wenselijk is vanuit maatschappelijke waarden. Het gaat niet om de vraag of we iets kunnen automatiseren, datamodellen kunnen inzetten of AI kunnen gebruiken. Het gaat om de vraag waarom en onder welke voorwaarden.
Waar schuurt het?
Dat het schuurt, zien we op meerdere fronten. Neem de democratie. Desinformatie verspreidt zich sneller dan ooit, vaak zonder duidelijke afzender. Willen we dat alles wat viraal kan gaan ook ongehinderd viraal gaat? En wie bepaalt waar de grens ligt tussen vrije meningsuiting en ondermijning van het democratisch proces?
Of kijk naar de digitale overheid. Het Nederlandse stelsel van toeslagen en belastingen is extreem complex. Digitalisering heeft dat systeem niet eenvoudiger gemaakt, maar juist kwetsbaarder. Fouten worden sneller en grootschaliger doorgegeven, met soms desastreuze gevolgen. De vraag die zelden hardop wordt gesteld, is of we dit systeem in deze vorm überhaupt nog willen. Digitalisering kan een instrument zijn om te vereenvoudigen, maar alleen als we bereid zijn fundamentele keuzes te maken.
“Digitalisering kan een instrument zijn om te vereenvoudigen, maar alleen als we bereid zijn fundamentele keuzes te maken”
Ook de positie van arbeid staat onder druk. Automatisering en AI veranderen werk ingrijpend. Misschien verdwijnt werk niet, maar verandert de betekenis ervan wel. Als arbeid minder vanzelfsprekend wordt als bron van inkomen en zingeving, wat betekent dat dan voor ons belastingstelsel? Is het logisch dat een derde van de staatsinkomsten nog altijd uit loonbelasting komt? En hoe verhoudt het belasten van automatisering zich tot onze internationale concurrentiepositie?
Zelfs de rechtspraak ontsnapt niet aan deze vragen. Wat betekent bewijs in een wereld van algoritmes en data? Gaan likes en online netwerken ooit meewegen in juridische afwegingen? En wie begrijpt nog hoe geautomatiseerde beslissingen tot stand komen? Culminerend in: hebben we straks nog een wetboek van strafrecht of wordt het een wetboek van algoritmes?
Het is verleidelijk om te zeggen dat de oplossing ligt in het toevoegen van een vierde macht aan onze staatsinrichting: een macht die zich expliciet buigt over de vraag of we datgene wat kan en mag ook daadwerkelijk willen. Maar misschien is dat te eenvoudig. Misschien hebben we geen nieuwe macht nodig, maar een nieuw evenwicht. Een herijking van verantwoordelijkheden, waarin digitale vraagstukken niet versnipperd zijn over departementen, toezichthouders en uitvoeringsorganisaties.
Wat daarbij wel opvalt, is dat slagkracht ontbreekt. Een minister van Digitale Zaken kan een stap zijn, maar zonder mandaat en uitvoeringsmacht blijft het al snel bij symboolpolitiek. Wie echt impact wil maken op de digitalisering van de overheid, moet kunnen sturen over grenzen van beleid, uitvoering en toezicht heen.
Data als strategische grondstof
Een andere ongemakkelijke vraag betreft data. We noemen data graag ‘het nieuwe olie’. Maar als dat zo is, waarom behandelen we het dan niet als een strategische grondstof? Voor aardolie bestaan Europese richtlijnen en nationale voorraden, beheerd door een speciaal orgaan. Voor data – minstens zo bepalend voor onze economie en veiligheid – ontbreekt zo’n collectieve benadering grotendeels. Willen we dat strategische data volledig in handen is van private of buitenlandse partijen? Of vraagt digitale soevereiniteit om andere keuzes? De zorgen vanuit de Tweede Kamer over een Amerikaanse overname van DigiD benadrukt de urgentie van een duidelijk antwoord op dit soort vragen.
In 2011 introduceerden wij naast Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen de term Digitaal Verantwoord Ondernemen: DVO. Het idee was eenvoudig. Net zoals organisaties verantwoordelijkheid nemen voor hun ecologische en sociale impact, zouden zij dat ook moeten doen voor hun digitale handelen. De term sloeg kort aan, maar verdween weer naar de achtergrond. Misschien was de tijd er toen nog niet rijp voor. Inmiddels lijkt dat anders.
Wie wordt de Digitale Drees? Misschien niemand. Misschien een nieuw type instituut. Misschien een combinatie van bestaande structuren die anders leren samenwerken. Dit artikel pretendeert geen antwoorden te geven. Het wil vooral een vraag stellen die te lang is blijven liggen.
De digitalisering van onze samenleving is geen technisch project, maar een maatschappelijk proces. En net als bij eerdere grote transities vraagt dat om leiderschap dat verder kijkt dan de waan van de dag. Niet om alles te controleren, maar om richting te geven. Wie durft die rol op zich te nemen?
Over de auteur
Michiel Croon is Managing Consultant Prestatieverbetering bij Conclusion Consulting. Hij werkt aan vraagstukken rond digitale overheid, publieke regie en maatschappelijke impact. Hij volgt de discussie over digitale soevereiniteit en publieke waarden al geruime tijd en pleit voor een fundamenteel gesprek over de rol van de overheid in het digitale tijdperk. De meningen en vragen die hij deelt in dit artikel, zijn op persoonlijke titel.
Heeft u een vraag? Vertel het ons
Word jij onderdeel van onze hechte club mensen met een actief DNA? Ben jij een echte doener en proeven onze klanten dat in de samenwerking? Geloof jij in de oneindige potentie van IT? Laten we samen succes maken!